| Trombose |
|
| |
Wat is trombose?
Bloed heeft een zeer belangrijke functie in ons lichaam. In het bloed wordt zuurstof, voedingstoffen en afvalstoffen vervoerd.
In ons lichaam stroomt het bloed door een uitgebreid stelsel van bloedvaten. Het bloed wordt rondgepompt door ons hart. De slagaders (arteriën) vervoeren het bloed van het hart naar de organen. De slagaders vertakken zich in kleinere vaten en uiteindelijk tot hele kleine vaatjes, de haarvaten. Via de aders gaat het zuurstofarme bloed weer terug naar het hart.
In het geval van bloedverlies, bijvoorbeeld door verwonding, is het vanwege de belangrijke functie van bloed van levensbelang dat bloed stolt. Het menselijk lichaam is van nature goed in staat bloed te stollen. We kunnen dat goed zien als we een wondje hebben . Eerst stroomt er bloed uit het wondje, maar al snel merk je dat het bloed gaat stollen en het wondje sluit.
Trombose is een negatief effect van de bloedstolling, de bloedstolling schiet als het ware zijn doel voorbij. Het systeem van bloedstolling gaat werken zonder dat er sprake is van een wondje of een bloeding. Er vormt zich een stolsel (bloedpropje) in het bloedvat. Door dit stolsel kan het bloedvat gedeeltelijk of helemaal verstopt raken. De doorstroming van het bloedvat is belemmerd en het weefsel achter de verstopping wordt minder van bloed voorzien.
Kortom: Trombose is een stolsel op de verkeerde plaats!!
|
 |
|
1
|
Onder normale omstandigheden ontstaat er in een onbeschadigd bloedvat geen bloedstolling. Alleen bij een wondje, bloedverlies komt de bloedstolling snel op gang. |
|
2 |
In het bloedvat vormt zich een stolsel (bloedpropje). Dit kan ontstaan als de wand van het bloedvat minder glad is. |
|
3 |
Trombose, het stolsel is zo groot dat het bloedvat wordt afgesloten. |
|
Hoe ontstaat trombose?
Een stolsel (bloedpropje) kan in feite overal in het lichaam worden gevormd. In de kamers van het hart, in slagaders en in aders. Diverse oorzaken kunnen leiden tot het vormen van een stolsel dat aan de vaatwand gaat vastzitten.
De belangrijkste oorzaak bij ongeveer de helft van de patiënten is het bloed zelf. Bij deze mensen heeft het bloed de neiging om meer te stollen dan gewenst is. Dit extra stollen van het bloed is vaak ook erfelijk bepaald.
Het vormen van een stolsel kan ook ontstaan door afwijkingen van de wand van het bloedvat zoals bij aderverkalking (atherosclerose), of door veranderingen in de stroomrichting van het bloed. Dit kan gebeuren bij hartritmestoornissen of bij langdurige bedrust. Ook als bloed in contact komt met “lichaamsvreemd” materiaal , zoals bij een kunsthartklep, ontstaat er een verhoogde kans op het vormen van een stolsel.
Verder zijn er risicofactoren bekend die trombose kunnen veroorzaken. Hoe meer risicofactoren er zijn hoe hoger de kans dat trombose ontstaat.
|
|
| Enkele risicofactoren: |
● |
operatie, bijvoorbeeld heup of knie operatie |
| |
● |
been in gipsverband |
| |
● |
overgewicht |
| |
● |
roken |
| |
● |
spataderen |
| |
● |
zwangerschap |
| |
● |
anticonceptiepil |
| |
● |
langdurige bedrust, kraambed |
| |
● |
lange vliegreizen |
| |
● |
erfelijke DNA mutaties |
|
|
| |
|
Wat zijn de gevolgen van trombose?
Er kunnen verschillende ziektebeelden ontstaan door trombose. Wanneer een slagader verstopt raakt door een stolsel noemen we dit arteriële trombose. Trombose in de aders wordt diep veneuze trombose genoemd.
Bij arteriële trombose wordt de toevoer van met name zuurstof naar een bepaald orgaan afgesloten. Als dit orgaan ook nog door andere slagaders van bloed wordt voorzien kan de schade beperkt blijven. Is dit echter niet het geval of kan het stolsel niet op tijd worden opgelost, dan heeft dit grote gevolgen voor het weefsel achter het stolsel. Zonder zuurstofvoorziening sterft het weefsel af. Er is dan sprake van een infarct.
Een hartinfarct ontstaat door een stolsel in één of meer van de kransslagaders. Dit zijn de slagaders die als het ware in een krans om het hart lopen. Het gevolg is dat een stuk van de hartspier afsterft. In het geval van genezing blijft er een litteken achter op de hartspier.
Een herseninfarct ontstaat wanneer de toevoer van bloed naar de hersenen door een stolsel wordt afgesloten. Afhankelijk van de plaats en de grootte van het stolsel kan dit verschillende gevolgen hebben. Er kunnen bewusteloosheid, verlamming en/of spraakstoornissen optreden.
Bij diep veneuze trombose sluit een stolsel een ader af in bijvoorbeeld een been of arm.
Het bloed kan niet goed meer worden afgevoerd. Hierdoor ontstaat er een ophoping van bloed. Door deze ophoping, stuwing, zwelt het been of de arm op.
|
|
 |
|
De huid wordt rood en glanzend, en voelt strak en gespannen aan.
Bovendien ontstaan er pijnklachten en een moe gevoel.
Op langere termijn kunnen er spataderen ontstaan of kan de huid
verkleuren. Dit wordt posttrombotisch syndroom genoemd.
Bij een stolsel in een ader van het been of de arm bestaat er altijd een risico dat het stolsel losschiet en wordt meegevoerd met de bloedstroom. Het stolsel kan dan vastlopen in een kleiner bloedvat en dit afsluiten. Dit wordt een embolie genoemd. Een embolie kan dan een herseninfarct of een hartinfarct veroorzaken.
Ook kan een embolie vastlopen in de bloedvaten van de longen. Dit veroorzaakt dan een longembolie. Het gevolg is kortademigheid, hoesten en hevige pijn. Veel mensen weten niet dat een longembolie levensbedreigend kan zijn. Bij bovenstaande klachten moet u dan ook direct contact opnemen met uw behandelend arts. |
|
| |
|
Hoe wordt trombose behandeld?
Bij trombose kunnen antistollingsmedicijnen zorgen dat het stolsel niet verder groeit. Het verder opruimen van het stolsel doet het lichaam zelf, maar dit duurt enige tijd. Om herhaling te voorkomen zijn vaak ook antistollingsmedicijnen nodig.
Deze medicijnen, ook wel bloedverdunners genoemd verminderen de mogelijkheden van het bloed om te stollen. Het is de taak van de trombosedienst om er voor te zorgen dat u goed wordt ingesteld. Te hoge dosering van de antistollingsmedicijnen heeft als gevolg dat het bloed minder stolt waardoor het risico op bloedingen toeneemt. Een te lage dosering geeft een verhoogd risico op stollen.
Het is belangrijk dat u de adviezen van de trombosedienst nauwkeurig opvolgt.
Antistollingsmedicijnen zijn er in de vorm van injectiespuitjes en in tabletvorm. In tabletvorm zijn de meest gebruikte acenocoumarol (Sintrommitis) en fenprocoumon (marcoumar).
|
|
 |
| Bij de start van antistolling wordt vaak gebruik gemaakt van gefractioneerde heparine. Dit wordt met een injectiespuit toegediend. |
 |
|
Gedurende de behandeling met antistollingsmedicijnen blijft u onder controle van de trombosedienst. Er wordt met regelmaat bloed geprikt en op basis van deze controles adviseert de trombosedienst u over de voortgang van de behandeling.
Een trombosebeen of arm kan behoorlijk pijnlijk zijn. Wilt u pijnstillers nemen kiest u dan voor paracetamol. Andere pijnstillers kunnen het effect van de antistollingsmedicijnen versterken waardoor er een risico ontstaat op spontane bloedingen. |
|
| |
|
Duur van de antistollingsbehandeling
Een antistollingsbehandeling stopt pas als de kans op trombose of de kans op een embolie heel klein is geworden of is verdwenen. De behandeling kan ook stoppen omdat er complicaties zijn opgetreden. Stoppen met de antistollingsbehandeling gebeurt alleen op advies van uw arts.
Voor sommige indicaties is een levenslange antistollingsbehandeling noodzakelijk. Enkele voorbeelden hiervan zijn: boezemfibrilleren, mechanische kunstklep in het hart, sommige andere hartafwijkingen en vaatoperatie of herhaald optreden van bijvoorbeeld een trombosebeen of longembolie.
Bij andere indicaties kan worden volstaan met een tijdelijke antistollingsbehandeling. Voorbeelden hiervan zijn:, een trombosebeen, een longembolie of bij een ortopedische operatie .
Bij een erfelijke risicofactor bekijkt de arts individueel of (en hoe lang) de antistollingsbehandeling nodig is.
Wanneer u mag stoppen zal uw behandelend arts dit doorgeven aan de trombosedienst. Soms wordt bij het aanmelden bij de trombosedienst al aangegeven hoe lang u in de trombosedienst moet blijven. Antistollingsmedicijnen hoeven niet te worden afgebouwd. U kunt op aangeven van uw arts probleemloos van het ene op het andere moment stoppen. |
|
| |
|
Trombose en erfelijkheid
Is trombose erfelijk?
Een duidelijk antwoord kan daar (nog) niet op worden gegeven. Soms komt trombose vaker in de familie voor en ook kan het zijn dat een patiënt een erfelijke afwijking heeft die de kans op trombose verhoogt. Het is echter niet zo dat je met een erfelijke afwijking ook trombose krijgt. Trombose ontstaat meestal pas als er sprake is van meerdere risicofactoren tegelijkertijd. Soms versterken deze risicofactoren elkaar en neemt de kans verder toe.
Dat alleen een erfelijke afwijking niet “voldoende” is om trombose te krijgen blijkt uit het feit dat niemand met trombose wordt geboren. De kans op het krijgen van trombose wordt door verworven risicofactoren sterk verhoogd.
Verworven risicofactoren zijn bijvoorbeeld een operatie, zwangerschap, bevalling, langdurige bedrust, anticonceptiepil, roken, lange vliegreizen, overgewicht etc. |
|
| Terug naar begin pagina |
|